|
Beleid en praktijk na niet-geslaagde trajecten - In opdracht van de Raad voor Werk en Inkomen |
|
|
|
|
In opdracht van de Raad voor Werk en Inkomen hebben Regioplan en SEO Economisch een onderzoek uitgevoerd waarmee het beleid en de praktijk van tweedekanstrajecten in kaart worden gebracht. In september 2007 is het eindrapport ‘Beleid en praktijk na niet-geslaagde trajecten’ gepubliceerd.
De grote meerderheid van de re-integratietrajecten leidt nog altijd niet tot een succesvolle plaatsing. Dit betekent dat tienduizenden cliënten van UWV en gemeenten jaarlijks starten met een traject dat niet tot het gewenste resultaat leidt. Er is weinig bekend overde grote groep mensen die na het volgen van een re-integratietraject geen werk vindt of het werk snel weer verliest, zo constateert de RWI in de Re-integratiemarktanalyse 2006. In welke mate zij een zogenoemd tweedekanstraject volgen of uit het zicht verdwijnen, is niet bekend. De RWI heeft daarom Regioplan gevraagd in samenwerking met SEO Economisch Onderzoek een onderzoek uit te voeren, waarmee het beleid en de praktijk van deze tweedekanstrajecten in kaart worden gebracht. Hiertoe zijn zowel interviews gevoerd met alle betrokkenen als een kwantitatieve analyse uitgevoerd.
Conclusies (gedeelte van-) De eerste onderzoeksvraag luidde: Hebben UWV, gemeenten en re-integratiebedrijven een specifieke aanpak geformuleerd voor mensen wier initiële traject niet is geslaagd? De vraag is of cliënten van wie het eerste traject niet succesvol is geweest een aparte behandeling krijgen. Op basis van de bevindingen uit het onderzoek constateren we dat het thema van tweedekanstrajecten niet zo leeft in de praktijk van UWV, gemeenten en re-integratiebedrijven. Er is geen gevoel van urgentie dat een specifieke aanpak of specifieke aandacht voor deze groep nodig is. Het idee heerst dat het allemaal wel goed geregeld is. […] Als belangrijkste reden voor het ontbreken van een specifieke aanpak voor tweedekansers wordt genoemd dat er maatwerk wordt geboden voor elke cliënt. Het apart zetten van de groep tweedekansers past hier niet bij. Voor UWV is dit de belangrijkste reden geweest om af te stappen van formele tweedekanstrajecten. Maatwerk is het belangrijkste uitgangspunt van beleid geworden.
De tweede onderzoeksvraag luidde: Wat gebeurt er in de praktijk wanneer een traject niet leidt tot het gewenste resultaat? In de vorige paragraaf hebben we geconstateerd dat er nauwelijks sprake is van een specifieke tweedekansaanpak. Dit betekent echter niet dat er in de praktijk niks gebeurt na het niet-slagen van trajecten. Hoewel niet expliciet vastgelegd, zijn de te volgen processtappen na een niet-geslaagd traject in principe duidelijk. Toch blijkt uit het onderzoek dat deze procesgang een aantal duidelijke risico’s en kwetsbaarheden bevat.[…]
De derde onderzoeksvraag luidde: Welke resultaten hebben tweedekanstrajecten? Om de resultaten van tweedekanstrajecten (in termen van plaatsing en uitstroom) in het juiste kader te kunnen plaatsen, is het van belang eerst te onderzoeken hoe vaak het nu eigenlijk voorkomt dat na een niet-geslaagd traject een tweede traject volgt. Op basis van het kwantitatieve deel van het onderzoek (dat uitgebreid in de rapportage van SEO is beschreven) komt naar voren dat het percentage cliënten dat een tweedekanstraject krijgt aangeboden binnen een halfjaar na afloop van een niet-geslaagd traject twintig procent is voor WW’ers en voor WAO’ers en WWB’ers slechts acht respectievelijk veertien procent. […]Wanneer we vervolgens kijken naar de resultaten van tweedekanstrajecten, concluderen we dat tweedekansers niet sneller (duurzaam) werk vinden dan eerstekansers. […] Kunnen we dus concluderen dat tweedekanstrajecten niet succesvol zijn? Nee, dit kunnen we niet. Immers: de groepen eerstekansers en tweedekansers kun je niet echt met elkaar vergelijken. Ook weten we niet hoe het tweedekansers was vergaan, wanneer zij geen tweedekanstraject hadden gekregen. We kunnen op basis van dit onderzoek dan ook geen uitspraken doen over de effectiviteit van tweedekanstrajecten. Het percentage dat (duurzaam) werk had gevonden, was dan misschien lager geweest dan nu het geval is.
De vierde onderzoeksvraag luidde: Wat zijn de succes- en faalfactoren van een effectieve inzet van tweedekanstrajecten en hoe zien ‘good practices’ eruit? Bij het beantwoorden van de eerste onderzoeksvraag hebben we aangegeven dat het onderwerp ‘tweedekanstrajecten’ niet erg leeft in de praktijk. Aan dit thema wordt vanuit beleid en praktijk weinig specifieke aandacht gegeven. Hierdoor zijn er geen duidelijke voorbeelden naar voren gekomen uit het onderzoek die specifiek met tweedekansbeleid te maken hebben. Ook weten we, door gebrek aan monitoring, te weinig over de effectiviteit van tweedekanstrajecten, waardoor ook echte ‘good practices’ niet te geven zijn. […] Hoewel niet als ‘good practices’ te benoemen, zijn we in het onderzoek wel elementen in de procesgang tegengekomen die een antwoord kúnnen zijn op de hierboven genoemde knelpunten. Het gaat bijvoorbeeld om: • Zorgen voor frequente/regelmatige contacten tussen casemanager/re-integratiecoach en re-integratieconsulenten (liefst ook informeel). • Het voeren van twee- en/of driegesprekken, zowel bij aanvang als na afloop van een traject en bij problemen ook tussentijds. • Mogelijkheden benoemen om een traject tussentijds bij te stellen. • Re-integratiebedrijven daadwerkelijk aansturen op een adequate (niet te summiere) verslaglegging. • Gedetailleerde verslaglegging/overdracht in de vorm van een re-integratievisie of portfolio.
Ook zijn we specifieke instrumenten tegengekomen die zich in ieder geval goed lenen voor tweedekansers, bijvoorbeeld: • Een uitgebreid instrumentarium om een goede diagnose te stellen na een nietgeslaagd traject. • Intensieve jobhunting en IRO's. • Aparte trajecten voor zogenaamde niet-willers.
Download hier het volledige onderzoek |