|
De Sectie Gezondheidsethiek en Wijsbegeerte van de Universiteit Maastricht heeft onderzoek gedaan in opdracht van de Inspectie Werk en Inkomen naar de sociaal-medische begeleiding en de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van allochtone en autochtone cliënten. Het onderzoek is in augustus 2004 gepubliceerd.
De afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor de vraag hoe verzuimbegeleiding en arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen verlopen bij cliënten van allochtone afkomst. Enerzijds komt die aandacht voort uit het vermoeden dat allochtonen een groter WAO-risico hebben dan autochtonen. Anderzijds zijn er signalen dat professionals, betrokken bij de begeleiding en beoordeling, net als professionals in de gezondheidszorg, problemen ervaren in de omgang met allochtone cliënten. Waar de oververtegenwoordiging van allochtonen in de WAO precies door wordt veroorzaakt is moeilijk aan te geven. Sommige onderzoeken wijzen op factoren als de sociaal-economische positie en bijeffecten van migratieprocessen en beargumenteren daarmee dat allochtonen door deze factoren vaker ziek zijn, en dus ook vaker arbeidsongeschikt. Andere onderzoeken wijzen erop dat de oververtegenwoordiging van allochtonen wel eens veroorzaakt zou kunnen worden door problemen die zich voordoen in het begeleidings- en beoordelingsproces. Als de oververtegenwoordiging van allochtonen een gevolg is van problemen die zich voordoen in het begeleidings- en beoordelingsproces, duidt dat op een sociaal selectieve werking van beleid op het terrein van verzuim, arbeidsongeschiktheid en re-integratie. Sociaal selectieve werking wil zeggen dat de ogenschijnlijk neutrale beoordelingscriteria, selectieprocedures of werkmethodieken die gehanteerd worden om mensen te beoordelen verschillend uitpakken voor verschillende groepen mensen. Het hier gepresenteerde onderzoek richtte zich op het verwerven van inzicht in de wijze waarop de verzuimbegeleiding en arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in de praktijk functioneren voor allochtonen en of en hoe in dat beleid en in de uitvoering daarvan sociale selectie kan ontstaan. De onderzoeksvraag luidde: Heeft de wijze waarop regels ten aanzien van verzuimbegeleiding, verzuimbeoordeling en re-integratie in de praktijk vorm krijgen andere consequenties voor allochtonen dan voor autochtonen? Om inzicht hierin te verkrijgen richt dit onderzoek zich op het functioneren van de uitvoeringspraktijk, in het bijzonder op de interacties tussen professionele uitvoerders en cliënten.
Conclusie (gedeelte van): Dit onderzoek heeft aan de hand van observatiemateriaal een reconstructie gemaakt van de praktische logica van zowel de bedrijfsartsen- als de verzekeringsartsenpraktijk. De onderzoekers laten zien dat bedrijfs- en verzekeringsartsen volgens een eigenstandige logica te werk gaan die niet per definitie samenvalt met de formele wet- en regelgeving ten aanzien van die praktijken. Recent sociaalconstructivistisch uitvoeringsonderzoek laat zien dat dat geen specifieke tekortkoming is van bedrijfs- en verzekeringsgeneeskundige praktijken, maar dat in iedere handelingspraktijk een praktische logica besloten ligt waarin formele regels een belangrijke plaats hebben, maar niet de enige. Regels, zo wordt uit dergelijk uitvoeringsonderzoek duidelijk, kunnen nooit zo gedetailleerd zijn dat professionals hun volledige handelingsrepertoire eruit kunnen afleiden. Daarvoor is de praktijk waarop ze betrekking hebben te dynamisch en te diffuus (Bal, 1998; Meershoek et al, 2001; Van der Veen, 1990). In iedere handelingspraktijk ontstaan dan ook onvermijdelijk manieren van werken die een zekere responsiviteit mogelijk maken, dat wil zeggen die het mogelijk maken op steeds weer andere situaties in te spelen. In die “responsieve” werkwijzen liggen, naast formele, ook allerlei informele normen besloten.
Dit onderzoek laat zien dat bedrijfs- en verzekeringsartsen geconfronteerd worden met het diffuse, subjectieve karakter van ziekte. De formele regels die zij ter beschikking hebben geven geen volledig uitsluitsel over hoe te handelen en te oordelen. Om hun werk met succes uit te kunnen voeren, zijn zij aangewezen zijn op een combinatie van medische en niet-medische en formele en niet-formele instrumenten. Zij hebben alternatieve werkwijzen ontwikkeld die “logisch” zijn in de zin dat ze de noodzakelijke responsiviteit bieden om om te gaan met heterogeniteit, verandering en variatie, en die een eigen impliciete normativiteit meebrengen
Dat die instrumenten “noodzakelijk” en “logisch” zijn gezien de complexe aard van het werk, wil overigens niet zeggen dat er geen kritiek kan zijn op de handelingen en beslissingen van bedrijfs-of verzekeringsartsen. Hoewel hun handelen samenhangt met de mogelijkheden die de praktijk hen biedt, moeten zij daarin de doelstellingen die in de formele regelgeving besloten liggen recht doen. Een oordeel over de vraag of bedrijfs- of verzekeringsartsen bij hun werk afwijken van wat de formele regels voorschrijven valt echter buiten het kader van dit onderzoek. Daarin hebben de onderzoekers zich wel beziggehouden met de vraag of er in de uitvoering van de verzuimbegeleiding en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling sprake is van onbedoelde sociale selectie die te verklaren is vanuit de manier van werken in die praktijken en die, zoals gezegd, niet volledig samenvalt met formele regelgeving.
Dit onderzoek laat zien dat er zowel bij de bedrijfs- als bij de verzekeringsarts sprake is van (onbedoelde) sociaal selectieve werking in de manier waarop het beleid ten aanzien van verzuimbegeleiding en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten uitvoer wordt gebracht.[...] Download hier het volledige onderzoek |